1. apr, 2017

Therapiehond

Mees.

 

Het ging mis. In mijn hoofd en in mijn lijf. Rust schijnt de remedie te zijn. Peter zag het de dag dat ik thuis kwam en zei ‘s avonds: “ We gaan een hond halen.” Wij hebben eerder een hond gehad en het gat dat deze hond met haar hemelen achterliet is een lange tijd een gat gebleven. Peter had ook kunnen zeggen: “Nu wordt het tijd voor therapie.” Maar hij zei: “Er komt een hond.” Ik belde een opvang hier in de buurt met de vraag of ze een hond hadden. Ze hadden er wel dertig. Dat leek me in mijn situatie een te overmoedige stap. Één is meer dan genoeg om mee te beginnen. Aangekomen bij de opvang werden wij voorgesteld aan drie honden. Dat zijn er nog twee te veel maar een mens wil nu eenmaal iets te kiezen hebben. Wij kozen voor Mees.

Mees is een reu uit Bulgarije en heeft een lastige start gehad in zijn leven. Tenminste dat vermoed ik. Inmiddels is Mees drie weken bij ons en er zijn wat gedragingen te bespeuren die doen vermoeden dat hij het  in de zijn eerste maanden wat moeilijk heeft gehad. Als ik zijn voerbak vul dan wordt  het eten nog net niet uit mijn handen gegraaid. In letterlijk drie happen is de bak leeg en heb ik de rest van de dag een winden-latende hond om mij heen. Met schrokken komt er namelijk ook veel lucht mee naar binnen en schone lucht komt er bij een hond, stinkend weer uit. Mees heeft stabiliteit nodig. Mees heeft een sterke, stabiele baas nodig. Dat ben ik. Op dit moment loop ik over van emotionele stabiliteit. Iedere dag vijf huilbuien vallen wat mij betreft onder de noemer: redelijk stabiel. Mees weet wat hij aan mij heeft. Een baas met een waterhoofd. Als baas van een onzekere hond heb ik een grote verantwoordelijkheid. Ik ben me dus gaan specialiseren in het omgaan met honden met een gedragsprobleem. Inmiddels heb ik alle youtube filmpjes van Ceasar Millan, de dogwhisperer, gezien en loop ik door het park met op mijn voorhoofd geschreven: de dogwhisperer van Kudelstaart. Ik lees Mees. Ik observeer het gedrag van mijn hond. Ik schrijf een psychologisch rapport over mijn hond en stel een behandelplan op. Ik analyseer ook het gedrag van alle andere honden in het dorp. Ik kijk naar de hondenbazen in het dorp en stel voor hen ook een behandelplan op. In mijn hoofd dan. Nu ik net weer toegelaten ben tot de subcultuur “hondenbezitter” durf ik mijn mond nog niet open te doen als nieuwe hondenfluisteraar. Ik praat dus via mijn hond. Ik vertel aan ieder die het wil horen en niet wil horen, hoe ik met mijn hond omga. Ik ben een irritante, vervelende betweterige hondenbezitter geworden. Ik maak in sneltreinvaart géén nieuwe vrienden.

Mees wel. Die loopt inmiddels vol zelfvertrouwen in het park iedereen voor zich te winnen met zijn slappe flaporen en onschuldige ogen. Mees rent, speelt, rolt door de modder, komt gezellig hijgend weer naast mij lopen en…

…..stuift nog steeds met een rotvaart af op zijn voerbak.