24. mrt, 2017

Wijde wereld

 

Ik kijk naar de wereld van achter  tralies. Lange spijlen belemmeren mij het zicht. De spijlen zijn glad en als ik ze vastpak glijden mijn handen telkens naar beneden. Iedere dag pak ik de spijlen. Ik wil de wereld zó graag zien zonder die strepen. Eerst keek ik alleen naar boven. Daar is het wit van het plafond dat me iedere dag moet boeien. Het doet me niets. Er klinkt wel mooie muziek. De muziek komt uit de kleuren. Ik hou van kleuren. Bewegende kleuren vind ik nog mooier. Omdat ik niet veel meer kan dan op mijn rug liggen, heb ik uren en uren naar de kleuren gekeken en naar de muziek geluisterd. Af en toe zijn de kleuren weg en is het stil. Dan lig ik ineens ergens anders. Iemand spreekt tegen mij. De stem is altijd zacht. De stem klinkt al bijna net als de muziek. Als de stem spreekt, wordt er ondertussen aan me getrokken. Regelmatig word ik omgedraaid. Dan is het koud en nat, maar altijd daarna weer warm. Ik word er heel moe van. De inspanning die ik moet leveren is me teveel en ik val in slaap. Zo gaat het al een lange tijd. Ik voel wel dat mijn lijf sterker wordt. Iedere dag neemt de kracht toe. Ik moet oefenen. Veel oefenen. Achter de spijlen ligt een wereld die ik niet ken. Ik wil die wereld in. In die wereld beweegt alles. Ik zie de kleuren en hoor de muziek. Ik wil zó graag die wereld in. Maar de stem zegt dat dit nog niet kan. Ik ben er nog niet aan toe. Mijn handen pakken weer de spijlen. Ik probeer deze keer of ik de spijlen hoger kan pakken. Met een uiterste krachtsinspanning reik ik hoger. Dan glijden mijn handen weg en val ik de diepte weer in. Nog een keer. Maar ook deze keer mislukt het. Ik val en mijn hoofd raakt de bodem. Ik schrik van de pijn. Het weerhoudt me er niet van om het nog eens te proberen. Boven de spijlen is een rand. Als ik die rand kan pakken dan kan ik mezelf misschien bevrijden. Ik pak weer de spijlen. Deze keer doe ik het langzamer. Ik trek me op en laat mijn handen naar boven gaan. Nog een klein stukje dan ben ik bij de rand. De wereld vol licht en kleuren is er bijna. De stem zegt dat het niet kan maar ik voel de kracht in mijn lijf toenemen. Mijn handen komen nog iets hoger en ik zet mijn voeten plat op de grond. Bijna ben ik bij de rand. Mijn benen voelen nog wiebelig, maar de grond is vlak en stevig. Ik zet mijn voeten goed neer en laat de kracht van mijn armen de rest doen. Ik trek mezelf op. Mijn handen pakken de rand en ik trek nog iets harder. Dan sta ik recht op en de stem roept:

“Papa.”

“Kijk!”

“Je zoon staat rechtop!”

 

In de box.