15. jan, 2016

Sociale controle

Maandag, wasdag.

Vroeger maakte ik deel uit van verschillende sociale gemeenschappen. Dat is fijn want dan is er veel sociale controle. Vooral als je deel uit maakt van een kerkgemeenschap. Daar zijn ze zoveel met sociale controle bezig dat ze spontaan vergeten een Bijbel te lezen. Daar geldt als eerste gebod van hogerhand gegeven: ‘Controleer uw naaste, gelijk gij gecontroleerd wordt’.

Toen ik besloot dat ik toe was aan een ‘midlife-crisis’, ontstond er een spanningsveld tussen de kerkgemeenschap en mijn midlife-crisis. Ik heb nog geprobeerd om uit te leggen dat een midlife-crisis van tijdelijke aard is. Ik heb ook uitgelegd dat ik er misschien iets meer tijd voor nodig heb omdat ik niet eens weet hoe je midlife-crisis schrijft. Ik was vroeger heel braaf en heb me heel netjes gehouden aan de gemiddeld gereformeerde opvoeding van mijn ouders. Dat betekent dat je halverwege je leven iets in te halen hebt. In de kerk vonden ze dat niet goed. Ik ben iemand die snel aanvoelt wanneer ik teveel ben in gezelschap en ga dan ook altijd heel snel weg van feestjes en partijen. De kerk vierde altijd een feestje en uiteindelijk was ik daar teveel. En dat is toch heel raar. Ineens hoor je niet meer bij de gemeenschap waar je je hele leven, en vele levens terug, al bij hoorde. Ik hoorde nog wel bij een schoolgemeenschap en bij de gemeenschap der opvoedkundigen, maar toen de kerkgemeenschap wegviel, voelde dat erg leeg. De spaarzame contacten die er na mijn vertrek nog waren hadden enkel tot doel om mij weer terug te krijgen binnen de muren van de kerk en mij van mijn ‘afvallige’ status te ontdoen. Ze hadden niets van doen met begrip voor mijn midlife-crisis. Ik wist dat het zo zou gaan want zo is het al eeuwen gegaan en Maarten ’t Hart zegt ook dat het zo zal gaan.

Nu ik voor de tweede keer gesetteld ben, wil ik eigenlijk graag weer sociaal gecontroleerd worden. Ik probeer dat te doen zonder me aan te sluiten bij een gemeenschap of clubje. Ik hang nog steevast op maandag de lakens buiten aan de lijn want ik verwacht nog steeds dat alle werkende buurvrouwen op maandag thuis zijn. Het is immers sinds mensenheugenis op maandag ‘wasdag’. En het lijkt mij heel erg veilig en fijn om met alle vrouwen van de straat op maandag de lakens op te hangen in de tuin. De hegjes die als erfafscheiding dienen zijn op zaterdag door de mannen keurig netjes geknipt zodat de vrouwen op maandag vrij zicht hebben op de was van de buurvrouw. We weten allemaal dat Marie van nummer 60 in de straat een zeikwijf is en bij de eerste handdoek uit de wasmand al begint te klagen over haar huwelijk. Wat Marie niet weet is dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten, maar Marie mag klagen van ons en we knipogen over de hegjes heen naar elkaar: ‘ja hoor, daar heb je d’r weer.’ Dikke Truus van nummer 34 heeft net haar 50e miskraam gehad want handige Harry houdt erg van haar dikke kont. Dat vertelt dikke Truus niet, maar dat weet je gewoon in een straat. We brengen haar straks een zelfgebakken stukje appeltaart. Zoetigheid is voor Truus de oplossing voor al haar problemen. Magere Henny is mager omdat haar man, luie Bertus, geen rooie cent in de huishoudpot kan stoppen, want hij is al jaren werkloos. Dus koken we allemaal een beetje extra en brengen dat iedere avond naar magere Henny.

Als één van de vrouwen door haar rug is gegaan, ligt te bevallen, met één van haar 100 kinderen naar het ziekenhuis moet, of met een blauw geslagen oog naar buiten komt, dan hangen we met z’n allen de was even voor haar op!

Zo wil ik graag sociaal gecontroleerd worden.