12. jan, 2016

De witte jassen brigade deel 2

12 januari 2016

De witte wapperende jassen brigade deel 2.

Ik lig.

Kwiek en uitgerust in een ziekenhuisbed om mij binnen enkele uren over te leveren aan de Goden. Ik weet dat het Goden zijn want je mag wel lijfelijk aanwezig zijn bij wat ze gaan doen maar de geest mag niet meer meedoen. De Goden hebben stofjes waarmee ze je knock-out kunnen slaan.

Ik kan ineens niet meer lopen.

De Goden hebben de half goden laten weten dat ik naar de hemel gereden kan worden. Dus ik mag niet meer lopen want vanaf dit moment verwachten de Goden dat je in je hemels- blauwe pyjama met klittenband, volledig ondergeschikt zult zijn.

Ik schrik als ik zie hoe druk het in de hemel is. Naast mij ligt een sterveling die vanaf halverwege de rug knock-out geslagen gaat worden. En omdat er in de hemel heel veel engelen rond lopen die ruimte innemen, heb ik vrij uitzicht op de blote billen van de buurman.

Ik wil niet dat stervelingen hun billen laten zien. Ik kijk al nooit naar mijn eigen billen. Dus zeker niet naar die van een wildvreemde.

Terwijl ik in mijn hoofd druk bezig ben met billen, komt er een engel aan mijn bed. Behendig slaat ze overal gaten in mijn lijf. En ik denk dat er een pittige registratie is in de hemel want ik krijg plakkers die er voor zorgen dat er apparaatjes gaan piepen. Als de apparaatjes piepen gaan de engelen rennen. Ik snap het al, het is een afstandsbediening. Piep, ren engel, ren!

Dan verschijnt dokter Bernard. Hij gaat me dood maken. Op mijn blote rug is hij al “pomtiedommend” bezig met zijn eigen interpretatie van Van Gogh in oranje uitgevoerd. Die man is de oppergod. Als hij klaar is voel ik mijn benen niet meer.

De hemel gaat nog verder open. Er is een andere kamer. En weer dokter Bernard. Hij gaat me weer dood maken.

Een gat in de tijd. Ik heb nog op de klok gekeken toen ik naar de balzaal van de hemel werd gereden. Half 2. En nu ineens staat de klok op kwart over 3. In de hemel kunnen ze tijd laten verdwijnen.

De engelen staan om mijn bed en ik ben volledig hulpeloos gemaakt. De apparaten piepen dus ik ben ingeschreven. Ik heb uit ieder waarneembaar gat in mijn lijf slangen lopen en ik denk dat die mij gaan verleiden, want ik ben nog steeds in de hemel. En daar doen slangen nare dingen.

Maar dan zeggen de engelen: “U mag weg."

Ik word uit de hemel gekickt.

Te licht bevonden, nog niet klaar voor het hiernamaals.