17. sep, 2017

Mobiele noodsituatie

Een mobiele noodsituatie in de  supermarkt.

Alexander is ziek. Geen enorm drama. Behalve als zijn vader het hele weekend weg is, de koelkast nagenoeg leeg is en de honden geen rekening houden met hiaten in de huishoudelijke organisatie en op de gebruikelijke tijden van de dag willen rennen in het park. Hoewel ik sterk het idee heb dat mijn opvlieger-tijdperk al enigszins achter mij ligt, ben ik dit weekend toch gaan twijfelen of dit fenomeen mijn lijf echt helemaal verlaten heeft. Ik veeg net de laatste zweetdruppels van mijn rug.

De digitale mogelijkheden van deze tijd hebben mij gered. Ik verafschuw het beeld van jonge kinderen met een mobiele telefoon in hun handen. Nog meer verafschuw ik het als mensen hun hele privéleven door een mobieltje ‘schreeuwen’ midden in de supermarkt. Dit weekend gold echter: ”Nood breekt wet”.  Ik moest toch echt even naar de supermarkt. Alexander bood vrijwillig aan om thuis te blijven. Hij bood ook vrijwillig aan dat hij dan wel even achter de computer een spelletje zou gaan spelen. Een genereus gebaar van hem dat ik toch onmogelijk kon weigeren. Ik beloofde hem dat ik met een half uur wel weer terug zou zijn en gaf hem mijn mobiele nummer “voor het geval zich een ernstige noodsituatie aandient.”

De supermarkt bevindt zich drie straten bij ons vandaan. Zelfs als hij zijn noodkreet naar mij zou schreeuwen zou ik hem waarschijnlijk tot in de supermarkt kunnen horen. Maar thuis blijven met een briefje met het mobiele nummer van je moeder, geeft een status van onafhankelijkheid waar een bijna 8-jarige op enig moment gewoon aan toe is.

Ik loop de supermarkt binnen en hang het mandje voor de boodschappen aan mijn arm. Als ik net door het hekje gelopen ben en de eerste boodschappen snel in mijn mandje gooi, gaat mijn telefoon.

“Ja, Alexander? Staat het huis in brand? Zijn de honden ontsnapt uit de tuin? Heb je de deur toch open gedaan voor een potloodventer die de weg naar het park kwijt is?”

“Mam, vergeet je niet dat we vanavond pannenkoeken eten?”

“Oh wat goed dat je daarvoor belt. Ik was het inderdaad bijna vergeten”, antwoord ik met het pak pannenkoekenmix in mijn mandje en druk hem, innig dankbaar voor zijn oplettendheid, weer weg.

Drie stappen verder. Gerinkel in mijn binnenzak.

“U spreekt met het antwoordapparaat van de moeder van Alexander. Ik loop op dit moment in de supermarkt en kan de telefoon helaas niet opnemen voor jongetjes die Alexander heten.”

“MAM, kappen!”

“Wat is er Alexander? Kun je geen ademhalen omdat je bijna stikt in de hele zak snoepjes die je stiekem aan het opeten bent? Weet je ineens niet meer hoe je die ‘enge’ filmpjes uit de zoekgeschiedenis van de computer kunt halen? Heeft een plotselinge windhoos het dak van ons huis een paar meter verplaatst? WAT IS ER?”

“Kun je kauwgom meenemen?”

Ik heb een instructie-moment laten liggen. Ik had hem moeten uitleggen wat “IK” versta onder een ernstige noodsituatie.

Als ik in de rij bij de kassa sta, gaat voor de derde keer mijn telefoon.

“Ja, Alexander(zucht). Wat ben ik nu weer vergeten?”

“Mam, heb ik al gezegd dat ik van je hou?”

Deze opmerking valt uiteraard helemaal binnen mijn definitie van “ernstige noodsituatie”.