4. mrt, 2017

Het Alfabet

Redeneren.

 

In de genen van onze 7-jarige is het talent “redeneren” dubbel meegegeven. Voeg daaraan ook nog toe dat uit mijn intensieve observaties van de 7-jarigen, blijkt dat alles wat geleerd wordt  bestaat uit het kopiëren van het gedrag van je vader en moeder, dan is er maar één simpele conclusie te trekken: ik moet ‘s avonds op tijd naar bed om iedere nieuwe dag mezelf weer te kunnen wapenen tegen de redenatie strijd die Alexander hier dagelijks voert. Bij alles wat ik hem zeg, vraag, opdraag, gebied, verbiedt en zachtjes toefluister, begint zijn standaard reactie met: “Ja, maar…”

Als ouders vinden wij het belangrijk dat een kind zo snel mogelijk in staat gesteld wordt zelfstandig te zijn. Dat betekent dat wij al in een vroeg stadium stoppen met het schoonvegen van billen en het naar binnen brengen van voedsel. Of het nu linksom, rechtsom of via de vloer moet gaan, zelf je eten opeten is een belangrijke vaardigheid in ons gezin. Daarnaast dwingen wij hem om zelf zijn kleren aan te trekken, zelf zijn tas op te ruimen, zelf zijn beddengoed af te halen, zelf zijn kamer op te ruimen, zelf zijn schoenen aan te trekken en zijn veters te strikken, zelf zijn tanden te poetsen ( de tandarts vind overigens dat wij zijn tanden moeten blijven poetsen tot laat in de adolescentiefase ), zelf zijn bord in de afwasmachine zetten en de enige ‘echte’ taak die Alexander tot nu toe heeft is het dekken van de tafel. Deze waslijst aan vaardigheden brengen wij met een glimlach bij als wij goed uitgerust zijn en dwingen wij met allerlei represaille maatregelen af bij het uitblijven van het gewenst resultaat, als wij niet zo goed zijn uitgerust. ( Merk op dat het laatste deel van de voorgaande zin dubbel op te vatten is.) Alexander weet het iedere dag voor elkaar te krijgen dat de aan hem opgedragen werkzaamheden vertraagd worden doordat er eerst een titanenstrijd gevoerd moet worden over het nut van de ontwikkeling van zijn vaardigheden.

“Waarom moet ik mijn brood opeten?’

“Waarom moet ik mijn schoenen aan trekken?”

“Waarom moet ik mijn tanden poetsen? “

“Waarom moet ik mijn kamer opruimen? “

In mijn rol als pedagogisch verantwoorde opvoeder, beantwoord ik deze vragen één maal met bezieling, een tweede maal met een diepe zucht en de derde keer verlang ik naar opvoedkundige methoden waarbij ik zeker weet dat ik na het uitvoeren daarvan een jarenlange gevangenistijd zal moeten uitzitten. Gelukkig zijn we inmiddels met vallen en opstaan de “waarom” fase voorbij. We maken een voorzichtige inschatting van de tijdsduur dat Alexander in zijn tweede “nee” tijdperk gaat aankomen en kunnen op basis van de opgedane ervaring vaststellen dat deze fase er eerder aankomt dan het ons lief is. Gelukkig is er een tussenfase waar hij nu doorheen gaat. Al zijn antwoorden worden voorzien van een opsomming van redenen. Dat ziet er dus als volgt uit:

“Alexander, ga even je judopak aantrekken. Het is bijna tijd om naar de judo te gaan.”

“Mam, ik ga vandaag niet naar de judo!”

“Alexander, ga even je judopak aantrekken, het is bijna tijd voor de judo (zucht)”

“Mam, ik ga vandaag niet naar de judo want:

A: Ik heb net bij Benjamin gespeeld en

C: Ik ben gevallen in de speeltuin en heb nu heeeeeeeele erge buikpijn”

 

( De “B” Alexander, de “B’ daar zat vast je steekhoudende argument, maar ja….)