8. feb, 2016

Buiten spelen

Buitenspelen.

Dat buitenspelen goed is voor de ontwikkeling van het kind, leidt geen twijfel. Wij speelden vroeger, de tijd dat alles beter was, veel buiten. Buiten spelen betekende dat je legaal een hele lange tijd onder het ijzeren regime van je ouders uit kon komen. Zij wisten immers toch niet waar je was en van ‘track and trace’ had nog niemand gehoord. Het leidt ook geen enkele twijfel dat het regime van ouders vroeger, nog steeds de tijd dat alles beter was, van ijzer was. Andere delfstoffen van zachtere aard waren nog niet gedolven. Wij speelden buiten. In de kleine oorlogvoering die zich buiten afspeelde met speelkameraadjes, leerden wij onze kracht kennen. Of we konden terug meppen of we werden hele goede hardlopers als de stoere knapen uit de buurt ons probeerden te dwingen om dakpannenkrijt vermengd met water te drinken. Als wij na deze ervaring, thuis meldden dat wij therapie nodig hadden om van onze ‘softe’ kant af te komen, werd dat er, bij wijze van spreken, hardhandig uitgemept.

De tijden zijn erg veranderd. Ik speel niet meer buiten en de kinderen uit de buurt ook amper. De betekenis van het woord ‘kinderbijslag’ is veranderd van, je kinderen met een bij-gehoekte slag opvoeden, naar ‘ophokpremie’. Tegenwoordig spelen kinderen minder buiten. Dat is gezien hun overvolle agenda uiteraard helemaal te begrijpen. Voeg daarbij ook nog de twilight zone waar opvoeders zich nu in bevinden en het buitenspelen gaat helemaal verdwijnen. Wat moet je tegenwoordig doen als je kind voor een paar minuten buiten beeld is? Tien keer de politie inschakelen om je kind als vermist op te geven, wordt op den duur ook niet meer serieus genomen.

De kinderen blijven binnen.

Dat is met mij in de buurt, voor de kinderen van tegenwoordig, veiliger. Zeker als je bedenkt dat ik een klap van de Spartaanse opvoedzweep van mijn ouders heb meegekregen en het voorbeeld dat zij gaven zo langzamerhand erg ben gaan waarderen. Mijn ouders hadden gezag. Mijn vaders wil was wet en mijn moeders wil was op bijzondere wijze, nog veel meer wet. Mijn vader brulde de autoriteit door het huis en dan konden wij naar buiten vluchten, maar als mijn moeder zweeg als wij onze verhalen vertelden, dan wist je zeker dat je moest maken dat je wegkwam. Tegen haar zwijgende, priemende blik kon geen gevestigde autoriteit op. Mijn moeder kroop zwijgend in je hoofd. Mijn moeder zweeg haar vraag naar ons toe bij alle ellende die wij buiten hadden meegemaakt.

“En wat heb JIJ gedaan?”

Omdat zij zweeg, zwegen wij uiteindelijk ook maar en overzagen in stilte ons aandeel in het kleine oorlogsconflict dat zich op het garagepleintje had afgespeeld.

Tegenwoordig is het niet meer mogelijk om te zwijgen en je kind zijn eigen aandeel in het eventuele conflict zelf te laten ontdekken.  Als ik er al het zwijgen toe doe, dan staat er binnen no time een ouder op de stoep die het zwijgen wil doorbreken en verhaal komt halen over het gedrag van mijn zoon. Ik heb wel veel van mijn moeder geleerd. Ik kan heel goed zwijgend in de deuropening staan en de desbetreffende ouder zo laten razen en tieren dat deze zichzelf helemaal vast raast en tiert in de eigen woede en daarmee een geweldig voorbeeld vormt voor het geslachtofferde kind. Ik lever mijn  bijdrage heus wel aan de slogan:  ‘- it takes a village to raise a child’. Ik doe er het zwijgen toe. Nog krachtiger vind ik het als ik na het razen en tieren van de ouder de vraag van mijn moeder stel:

“En wat heb JIJ gedaan?” Ik stel de vraag terwijl ik langs de ouder en het kind naar buiten kijk.  Wie moet hier nu op antwoorden?

Niemand!

Het is immers nog steeds de bedoeling van ‘buiten’ spelen, dat je als kind je eigen sores leert oplossen. Daarom speel je buiten. ‘Buiten’ het toeziend oog van je ouders.