20. nov, 2016

Wit

 

Ik loop buiten. Een half jaar verbleef ik in een witte wereld. Een lege wereld. Ik loop weer buiten. De winter is in wit aan mij voorbijgegaan. Niet de sneeuw, maar het serene ziekenhuis-wit heeft mijn leven de afgelopen tijd gevuld. Mijn hoofd is leeg en kleurloos. Alle kleur is verdwenen. Het verblijf van mijn geest tussen hemel en aarde heeft de herinnering weggevaagd. Herinneren is ondergeschikt geraakt aan overleven. Ik leef! Ik heb het overleefd. De enige kleur in mijn leven nu, is het leven zelf. Verder is er niets. Er is niemand. Alleen mijn lege hoofd en mijn lijf. Mijn lijf functioneert weer. De botbreuken zijn geheeld. Het hersentrauma heeft enkel zijn sporen nagelaten in de leegte. Het rood is ook weg. Doktoren en hulpverleners hebben mijn hoofd gevuld met de kille feiten die er de oorzaak van zijn dat ik hier alleen loop.

Hij zat al drie jaar in mijn klas. Economie als gekozen vak. Zijn ouders waren emigranten uit Joegoslavië. De spanningen rond het referendum voor een onafhankelijk Bosnië Herzegovina, het geweld dat losbrak, had hen weggedreven. Hun enige zoon, een hoogbegaafd jongetje van 5 jaar, had recht op een veilige toekomst. Die veilige toekomst lag voor hen in Nederland. Alles wat zijzelf niet kregen in hun eigen land, beloofden zij hem. Zijn toekomst zou over rozen gaan. Rode rozen van voorspoed en geluk. De pianoconcerten die hij gaf werden vergezeld van rode rozen. Virtuoos, zoals hij met zijn vingers over de toetsen van de piano bewoog, alsof hij danste met zijn handen. Zelf droeg hij zwart. Een statement naar de verschrikkingen in zijn geboorteland.

Onopvallend, talentvol bewoog hij door de school. Ieder jaar verruilde hij met het grootste gemak het ene schooljaar voor het andere. Altijd in zwart. Zijn zwarte hooded sweaters staken donker af bij zijn bleke gelaat. Zijn donkere ogen lagen diep in zijn kassen. Zijn bleke mond vertoonde nimmer een glimlach. Hij was het liefst alleen. Een sfeer van heimwee hing om hem heen. Naar huis. Naar thuis.

Naast de school heeft de conciërge zijn rozentuin gesnoeid. Heel precies knipt hij de grote rode rozen terug tot 40 centimeter boven de grond. Klaar voor de winterrust. Net op tijd. De herfst kondigt zich aan met veel geweld. Het regent al dagen. Leerlingen gehuld in regenkleding, fietsen de vele kilometers door het weidse landschap naar school. Een spoor van de herfst trekt door de school. Het linoleum bij de ingang blijft nat van de doorweekte schoenen die binnen komen. Kunstlicht verlicht de lokalen. Het KNMI geeft “code rood” en de schoolleiding kruipt samen om te overleggen over een voortijdig einde van de schooldag om de leerlingen een veilige terugreis te kunnen garanderen. Het eerste uur is net begonnen en ik ben bezig met het controleren van de aanwezigen. Buiten zie ik de storm in kracht toenemen. Het geeft me een veilig gevoel om binnen de muren van de school te zijn. Ik koester het geroezemoes aan het begin van de les. Mijn leerlingen lijken de veiligheid te herkennen en met natte haren en rode wangen pakken zij een boek uit hun tas. Ik hou van een rustige start. De serene rust die heerst als alle leerlingen over hun boek gebogen zijn, geeft mij de tijd om me iedere keer weer te verbinden met hen. Ik kijk rond. Ik noem in gedachten hun naam. Zoveel namen.

Ik mis het zwart. Zijn tafel is nog leeg. Het is een leegte die ik niet ken. Het geeft me een onbehagelijk gevoel. Al die jaren is het zwart er altijd geweest. Niemand in de klas kan me iets vertellen. Niemand weet waarom hij er niet is. Ik kijk in mijn computer en zie geen melding van ziekte. Hij zal zo wel komen. Het is ver fietsen en de wind neemt nog steeds in kracht toe.

In de verte hoor ik het rommelen van de donder. Het rommelen komt dichterbij. Onweer vlak boven de school. Nu zal er niemand naar huis kunnen gaan. De school is vol. Vol leven. Het is lawaaiig op de gangen. Onrustig. Mijn leerlingen kijken op van hun boek en ik leg mijn vinger op mijn mond. Ik sus. Het lawaai op de gang gaat over in geschreeuw. Hysterie. Ik leg mijn vinger nadrukkelijker op mijn mond. Mijn deur zwaait open en het licht van bliksem vult mijn lokaal. Donder klinkt uit mijn deuropening. Het zwart zwaait in het rond. Rode rozen spatten uiteen. De namen vallen. Ik val. De witte leegte in.