13. nov, 2016

De jas die nog niet past.

De jas die “passend” onderwijs heet, past mij nog niet. Ik denk dat ik de verkeerde maat steeds aantrek. Het onderwijs van tegenwoordig verwacht vaardigheden van mij die ik me nog niet voldoende eigen heb weten te maken om dit als een tweede natuur iedere keer tevoorschijn te toveren. Mijn gedrag voor de klas heeft zich de afgelopen 25 jaar op bepaalde gebieden zodanig geautomatiseerd dat ik met pubers mijn weg kan vinden. Daar zitten pubers tussen die extra aandacht nodig hebben en dat jasje past me wel. De pubers die extreem veel extra aandacht nodig hebben en vergezelt van een ingewikkelde gebruiksaanwijzing ook aanwezig zijn in mijn klassen, maken dat mijn geautomatiseerde gedrag zich moet resetten.

Ik worstel al een tijd met dit nieuwe gegeven. Ik heb geen statistisch onderzoek gedaan naar de werkelijke toename van leerlingen met gedragsproblemen. Misschien zit ik er op de aantallen flink naast. Feit blijft wel dat mijn energie en aandacht veel meer opgeëist wordt door deze leerlingen.

Ergens in een tweede klas zit een leerling die erg last heeft van zijn adhd. De instructie die ik heb gekregen om hem te kunnen begeleiden hierin geeft aan dat ik hem vooraan in de klas moet zetten, hem gerichte korte instructie moet geven en moet controleren of hij de instructie begrepen heeft. Als hij nog meer gericht moet worden dan zullen mijn woorden positief geformuleerd moeten zijn en dien ik hem aan te spreken op individueel niveau zodanig dat de klas dit niet of nauwelijks merkt. Gelukkig is één van mijn automatismen dat ik leerlingen zelden negatief aanspreek. Als ik dat wel doe dan is dat altijd terug te leiden naar mijn eigen vermoeidheid en daaruit voortvloeiend onvermogen om positief te blijven.

De leerling zit voor mijn neus. Ik geef een klassikale instructie over een onderwerp waarvan ik weet dat de leerlingen dat moeilijk vinden. Ik heb al mijn aandacht dus nodig bij het op een verantwoorde wijze overbrengen van een heel nieuw jargon dat hoort bij het vak economie. Alleen al het woord “afzet” doet de gemoederen in de klas oplaaien, want de koppeling tussen flesjes verkochte frisdrank en afzet kunnen mijn leerlingen niet zomaar maken. Ondertussen zit wiebel achterstevoren achter zijn tafel en probeert de aandacht te trekken van de leerlingen om hem heen. De leerlingen om hem heen vinden zijn kapriolen grappig en laten zich graag door hem afleiden. Beter even te lachen om een medeleerling dan het willen begrijpen van een nieuw woord. Ik kan het ze niet eens kwalijk nemen. Hij krijgt dus van alle kanten “benzine” voor zijn gedrag. Ik moet nu niet alleen deze leerling erbij zien te halen, ik ben een hele grote groep kwijt. Terwijl ik doorpraat loop ik langs de wiebelkont en zet hem handmatig even recht en leg mijn vinger op mijn mond. Ik kijk dwingend naar de andere leerlingen en loop weer terug naar het bord. Verdorie, de wiebelkont zit alweer omgedraaid. Wegsturen voor een time-out kan ik niet want dan mist hij de uitleg en individueel heb ik daar straks geen ruimte voor want ik weet immers hoe het maken van de eerste som eruit gaat zien. Er zullen minstens 10 leerlingen zijn die mijn extra aandacht nodig hebben om de flesjes en de afzet met elkaar te kunnen combineren. Ik zet de wiebelkont weer recht en schuif zijn tafel nog wat meer naar voren. Hij zit recht maar zijn ogen schieten alle kanten op. Terwijl de klas zich een weg moet worstelen door flesjes, afzet, omzet en brutowinst, zet ik mijn stoel tegen de tafel van de beweeglijke leerling. De andere leerlingen die mijn hulp nodig hebben zullen naar mijn tafel toe moeten komen want als ik opsta en bij spring-in-het-veld wegloop zal hij zeker met stoel en al omvallen en zal hij, helemaal zeker, niet met de som bezig zijn. Mijn aandacht moet zich voortdurend opsplitsen tussen deze leerling en de anderen die bij mijn tafel staan. Ik hou wiebel gewoon maar even bij zijn arm vast. Dan ligt er in ieder geval één lichaamsdeel stil en kan ik snel een leerling bij mijn tafel helpen. Als iedereen geholpen is durf ik een sprintje te trekken door de klas om snel in alle schriften te kijken en de puber die nog niet op gang gekomen is “aan” te zetten. De spring-in-t-veld grijpt zijn kans en ligt bijna onder zijn tafel. Ik sprint dus maar snel weer terug en zet en passant een zeer goede hardlooptijd neer. Sporten zou energie moeten geven. Ik ben die opgedane energie van dit zeer korte sprintje alleen in een nog betere tijd weer kwijt. Wiebel heeft zijn schrift gevonden en kan onmogelijk op het bord vinden welke bladzijde hij op moet zoeken in zijn boek. Ik glimlach naar hem en kijk ondertussen woest naar alle andere leerlingen die het mij onmogelijk maken om wiebel te begeleiden. Uiterst positief wijs ik wiebel op het bord aan waar de opdracht staat en ik blaas verder iedereen bij mij uit de buurt. Mijn energie is op en ik neem me voor de zoveelste keer voor om in mijn kledingkast te gaan zoeken naar de jas die wel past. Ik weet dat die ergens hangt.