9. nov, 2016

Jonge held

 

Iedere avond tijdens het avondeten, hervormen Peter en ik het onderwijs. Terwijl wij de gehaktbal verorberen proberen wij elkaar ervan te overtuigen dat wij als geen ander weten wat er mis is in het onderwijs en hoe wij de jeugd van tegenwoordig wél aan het leren kunnen krijgen. Alexander luistert slechts enkele ogenblikken naar ons euforisch geratel en probeert dan steevast de aandacht van de komende onderwijshervormingen te verleggen naar zijn eigen bijzondere gebeurtenissen op school, waar wij uiteraard op het moment dat hij dat wil, geen aandacht voor willen hebben. In onze pedagogische opvatting horen kleine kinderen nog op hun beurt te wachten voor ze mogen spreken en het liefst zien wij hem ook nog staand aan tafel, maar dat laatste is uit praktische overwegingen want dan weten wij zeker dat zijn glas een hele maaltijd overeind blijft staan.

Het intelligente gesprek over onze visie op onderwijs wordt een hakkelend en stotend gesprek met wrede onderbrekingen die nodig zijn om Alexander steeds tot de orde te roepen, want luisteren heeft hij al opgegeven. Wij luisteren immers ook niet naar hem dus waarom zou hij wel naar ons moeten luisteren. Ik weet het ook niet.

Deze avond echter, keek de kleine man mij met grote verbaasde ogen aan en hield van verbazing zijn mond totdat ik mijn hele verhaal verteld had. Naast de onderwijshervormingen komt ook het dagelijkse leed uit de dagelijkse lespraktijk voorbij. Het dagelijkse leed bestaat altijd uit gedrag van leerlingen die dwars liggen in de klas en het minimale antwoord dat Peter en ik daar op hebben. We blijven wel proberen om elkaar te overtroeven met de beste oplossingen, maar concluderen toch iedere keer weer dat we momenten hebben dat we met de spreekwoordelijke handen in het haar zitten. Af en toe dan. Soms. Nou ja heel weinig eigenlijk maar de laatste tijd best vaak. Zo ook in deze gebeurtenis waar ik vertelde over een leerling die zijn aanwezigheid op school zelf wel duldt maar ik niet. Hij vindt het onzinnig om zijn boek en schrift mee te hebben naar school en gaat daarover graag de discussie met mij aan waarbij hij probeert om mij ervan te overtuigen dat school geen enkele toegevoegde waarde heeft en hij zijn tijd toch zit te verdoen. De school interesseert hem niets en het interesseert hem al helemaal niets dat ik zijn uitlatingen met een opvoedkundige benadering waar de Calvinistische invloeden vanaf druipen, probeer te stoppen. Ik delf het onderspit met deze leerling en vertel dit leed aan Peter.  Terwijl ik het vertel word ik opnieuw overmand door de boosheid die ik ook al tijdens de les voelde toen ik de aanvaring met deze jongen had. Ik vertel het verhaal ook enigszins geëmotioneerd. Waarschijnlijk omdat mijn eigen onmacht ineens zo kraakhelder naar boven komt drijven. Alexander volgt het verhaal met ogen die uit zijn hoofd rollen en stelt ineens de vraag of hij even iets mag zeggen. Peter en ik zijn zo verbaasd over deze uitermate beleefde vraag dat wij de 10 minuten die daarop volgen niets kunnen uitbrengen en Alexander vervolgens alle ruimte in kan nemen om zijn jonge helden gedrag ten tonele te spreiden. Met gebaren en vol vuur.

- Mam, als die jongen dat nog een keer tegen je zegt, dan zeg je maar dat je de volgende keer je kind mee naar school gaat nemen en dan zeg je maar dat ik wel even tegen die jongen zal zeggen: “Hé joh, je moet stoppen. Jij mag helemaal niet zo brutaal zijn tegen mijn moeder, “ en als hij dan toch zo doet ( Alexander kruist twee middelvingers over elkaar) nou dan, nou dan..-

Ja precies, wat dan?

Maar dat idee van mijn kind meenemen vind ik zo slecht nog niet.