13. okt, 2016

De leerlingbespreking

Blablablabla

 

Eén van de taken die uitgevoerd worden in het onderwijs is praten over leerlingen. We praten veel over leerlingen. We praten overal over leerlingen. In de docentenkamer, op weg naar een lokaal, zelfs op weg naar de wc gaat het gesprek vaak over leerlingen. Helemaal verwonderlijk lijkt mij dit niet. Als het onderwijs geen leerlingen had was er immers geen bestaansrecht voor het woord “onderwijs”. Hoewel ik soms ook wel eens bespeur dat het “hart” van ons werk, de leerling, een beetje in de weg kan zitten. Ik zou het bijvoorbeeld zelf wel heel prettig vinden als iedere opdracht die ik geef of iedere uitleg waarop ik mijn best doe, meteen uitgevoerd wordt dan wel met luid applaus tegemoet getreden wordt, omdat de leerlingen zelf ook snappen dat zonder “onderwijs” zij geen enkel bestaansrecht als leerling hebben.

Dat de leerling een andere opvatting heeft over “onderwijs” en hoe de tijd op een school in te vullen, verdient af en toe de aandacht van docenten en dus kruipen we bij elkaar en gaan dan verder met het praten over leerlingen. Een enkele collega begint dán pas te praten over de leerling en kijkt met een verbaasde blik naar het fotoscherm om erachter te komen wie hij nu eigenlijk allemaal in de klas zou moeten hebben zitten, als iedereen er altijd zou zijn en hij eindelijk de namen uit zijn hoofd gaat leren. Er zijn meer collega’s die een bijdrage leveren aan de voorstelling die “leerlingbespreking” heet. Zo heb je altijd een collega die, nadat er uitvoerig door iedereen gesproken is over opvallend gedrag van een leerling, als standaardtekst heeft: “ Oh dat doet deze leerling bij mij nooit!” Ik heb ooit eens in een cursus geleerd dat je in een gesprek de woorden “altijd” en “nooit” beter niet kunt gebruiken. Ze zijn namelijk “altijd” “nooit” waar.

Over leerlingen praten doen we dus heel graag. Over leerlingen klagen doen we nog veel liever. Wij, docenten, zijn nu eenmaal van het soort dat “altijd” gelijk heeft en “nooit” tegenspraak duldt. Dat wij daar een spanningsveld ervaren, blijkt als we ons klaaglied van 127 coupletten aanheffen bij de leerlingbespreking. De leerling doet standaard niet wat wij zeggen, heeft “nooit” zijn huiswerk op orde en vergeet “altijd” zijn spullen. Wij zitten na afloop van de 127 coupletten van het klaaglied, nog steeds met onze handen in het haar en zijn zo opgegaan in de emotie van onze  niet-begrepen-goede-bedoelingen, dat wij de leerling ook meteen alleen nog maar kunnen zien als een robot waarop vast een knopje te vinden is waarmee je hem uit of aan kunt zetten. Heel graag zien wij ook dat deze robot dan bij levering in de brugklas zo geprogrammeerd is dat wij met onze talenten als docent “altijd” kunnen schitteren omdat wij “nooit” meer een publiek hebben dat weerbarstig zijn eigen weg kiest en standaard een andere route wil lopen dan die wij hebben uitgezocht met behulp van onze routeplanner.

Wij heffen onze handen ten hemel en roepen de hogere machten aan met couplet 128. Maar de hogere macht zegt: “ In den beginne zag ik dat het goed was en ik noemde het puber.”