3. feb, 2016

Ieder jaar eindexamen

Ieder jaar eindexamen.

In het onderwijs zijn vaste rituelen te bespeuren. Ieder jaar maken de docenten van de eindexamenkandidaten in het Vmbo zich zorgen. Op onze school maken’ we’ ons vanaf de eerste les zorgen want ‘wij’ bespeuren een werkhouding die niet overeenkomt met de werkhouding die nodig is om het examen te halen zoals ‘wij’ dat voor ogen hebben. ‘Wij’ zijn heel goed in het neerzetten van een stressfactor en noemen in de eerste les zeker het woord examen 100 keer. Dan weten de leerlingen in ieder geval vast hoe je ‘examen’ schrijft. Dan gaan ‘wij’ hard aan de gang. De leerlingen leunen achterover en moeten tot en met de kerst bijkomen van de stress die ‘wij’ overgebracht hebben.

‘Wij’ praten er veel over en nuanceren niet. Niemand werkt, de werkhouding van de hele jaar laag is onder de maat en dit jaar zal zeker iedereen zakken. ‘Wij’ daarentegen  werken ons de blubber.

Tegen de tijd dat de kerstvakantie nadert, zijn ‘wij’ op het hoogtepunt van onze onzekerheid over de naderende examenuitslagen. In al die maanden dat ‘wij’ al les geven, hebben ‘zij’ ons er nog niet van kunnen overtuigen dat ‘wij’ dit jaar onze rituelen eindelijk kunnen verlaten. Brak, doodmoe en uitgeteld van het zorgen maken rollen ‘wij’ de kerstvakantie in. Ik heb dan altijd heel veel medelijden  met ‘ons’ en vraag me ieder jaar weer af waarom het dit jaar weer zo mislukt. ‘Wij’ kunnen niet motiveren en enthousiasmeren want in de wandelgangen hoor ik nog steeds dat ‘zij’ niets doen.

Na de kerstvakantie gaat de tijd echt dringen, werken ‘wij’ nog harder en zien ‘wij’ met lede ogen aan dat ‘zij’ het hoogstwaarschijnlijk drie weken voor het examen nog vroeg genoeg vinden om iets te gaan doen.

Gisteren heb ik mijn comeback gemaakt in een vierde klas. ‘Zij’ waren blij en ik ook. Die blijheid hebben  ‘zij’ naar mijn idee niet weten om te zetten naar inzet voor het examen. ‘Zij’ moeten de ernst van de situatie nog gaan begrijpen en ik breng ze dat graag bij door het tempo in de les zo op te voeren dat zelfs de TGV moeite heeft om mij bij te houden. Na de les ben ik heel erg moe en voelen ‘zij’ zich weer vrijgelaten uit de hechtenis die 80 minuten duurt.

Thuis praat ik met mijn man na over deze les. Ik praat over ‘hun’ werkhouding versus ‘mijn’ inspanning.

‘Nu zou je toch denken dat het kwartje een keer gaat vallen bij ‘hen’.

‘We’ hebben nog maar een paar maanden.’

‘Precies’, zegt Peter.

‘Nu gebruik je ‘we’ op de juiste manier.’