1. feb, 2016

Grote flater

Grote flater.

Veel onderwijservaring betekent helaas niet dat je jezelf ontwikkelt tot iemand die zijn vak met een goddelijke perfectie uitoefent. Soms zijn er momenten dat de 25 jaar onderwijservaring als sneeuw voor de zon verdwijnen en ik mezelf zie worstelen alsof ik net in het vak begonnen ben.

Het komt regelmatig voor dat ik als mentor, ouders spreek over de vorderingen ( vaak niet-vorderingen) van hun kinderen. Bij ons op school hebben we daar sinds kort een interessante gesprekkencyclus voor ontwikkeld waarbij de mentor, het kind en de ouders minimaal twee keer per jaar spreekt. Daarnaast blijft het mogelijk om als ouders contact op te nemen met de mentor als de paniek over het gedrag en de vorderingen van het kind zodanige vormen aanneemt dat er geen enkele uitweg meer bestaat dan praten op school. Ik fungeer dan als klankbord en doe aan paniekbeheersing.

De vader die mij wil spreken, wil graag buiten de reguliere momenten om komen omdat hij voor zijn werk het merendeel van het jaar in het buitenland verblijft. Ik snap dat wel. Het lijkt me een hele opgave om vanaf grote afstand regie te houden over de schoolprestaties van je dochter. Het is goed om te kijken of we de neuzen dezelfde kant op hebben staan. Wij ontmoeten elkaar en hebben een constructief gesprek en, hoera, we begrijpen elkaar volkomen. Ik voel me helemaal tevreden. So far so good.

En dan bega ik een enorme flater. Ik vraag uit pure belangstelling naar zijn werk in het buitenland.

‘Wat doe je voor werk als ik vragen mag?’

‘Heb je iets met voetbal?.’

Een strikvraag van vader. Hier had ik al op mijn hoede moeten zijn. Pasje terug en misschien als antwoord een retorische vraag stellen. Maar ik ga er vol in. In de flater.

‘Nee, helemaal niets!’

En ik voeg er vrolijk aan toe:

‘Sterker nog, ik voer thuis een zwaar voetbalontmoedigingsbeleid.’

Fout!

Zo fout!

De vader kijkt mij verschrikt aan en ik zie dat hij meteen twijfelt over het legitieme voortbestaan van zijn baan. Ik ben per slot van rekening de mentor van zijn dochter en mijn mening is op allerlei gebied heel erg belangrijk.

‘Ik doe iets met voetbal in het buitenland,’ stamelt hij.

Het schaamrood stijgt mij naar de kaken en ik probeer me nog te redden met opmerkingen die al nergens meer op slaan omdat het kwaad al geschied is.

Toen ik thuis kwam ben ik even, via google, gaan kijken hoe groot mijn flater is geweest.

Heel groot!

Ik heb de trainer van buitenlands jeugd voetbal en het Olympische team van dat land op niet mis te verstane wijze, te kennen gegeven dat ik helemaal niets met voetbal heb. Ik mag dan niets met voetbal hebben, op sommige momenten kun je dat beter voor je houden. En ik weet dat ik zo’n moment aan mijn neus voorbij heb laten gaan.

Ik sta heel wat doelpunten achter en ga de finale niet halen.