29. jan, 2016

Werkdruk

Werkdruk.

Afgelopen week zag ik de documentaire van Zembla over werkdruk in het onderwijs. Een Rotterdamse, voorheen slecht, presterende school die onder de bezielende leiding van een directeur weer naar een hoger niveau getrokken is. Zijn inspanningen werden vrijwel binnen een paar jaar teniet gedaan doordat hij niet aan voldoende docenten kan komen. Schokkend om die man zo verslagen in beeld te zien. De cijfers schijnen te kloppen en 20% van de leraren schiet regelrecht richting een burn-out.

Volgende week ga ik weer aan de slag. Rehabiliteren in een sector die garant staat voor een regelrechte burn-out. Ik verheug me er echt op na deze documentaire. Gelukkig neem ik mezelf mee in deze ogenschijnlijke strijd.

Onderwijs is een manipulatieve sector. Je kunt als bewindvoerder redelijk je gang gaan om je stokpaardjes neer te zetten. Want naast de burn-out cijfers, de cijfers van het verdwenen geld, de prestatiedwang en de druk van de urennorm, kun je ervan uitgaan dat je met een hele loyale beroepsgroep te maken hebt. Ik vraag me vaak af hoe je loyaliteit aan je vak en vooral aan de leerlingen in cijfers zou moeten vatten. Werken met minimale middelen aan een maximaal resultaat is de uitdaging waar iedere docent voor staat. We dweilen met de kraan open en blijven dweilen. We verwisselen af en toe de dweil en legen de emmer en de volgende dag dweil je weer voor een digibord dat niet gebruikt kan worden omdat je een pen moet ophalen bij systeembeheerders. Die pen zorgt voor werkdruk. Ik heb een jaar geprobeerd om met het digibord te werken en te forenzen tussen de lessen door naar het systeembeheer. Een pen is heel duur dus er zijn er maar een paar. En die verdwijnen. Je kunt in het onderwijs geen hulpmiddelen delen. Dat is een aanslag op je organisatievermogen die er echt niet bij kan. Dat moet je regelen terwijl de lessen wisselen, er op dat moment altijd nog leerlingen zijn die gesproken moeten worden, je daarna je spullen in je tas moet kwakken om vervolgens naar het volgende lokaal te lopen. Daar start je een computer op die een kwartier nodig heeft om warm te lopen, maar daar moet je op wachten als docent anders kun je je, in de nachtelijke uren voorbereide, PowerPoint met uitdagende visuele materialen die weer nodig zijn om aan de verschillende leerstijlen van kinderen tegemoet te komen, niet gebruiken. Ondertussen vul je de tijd met het in bedwang krijgen van een bevolkingsgroep die het aanwezig ‘moeten’ zijn ook al vroeg als dwang ervaart en van nature in de weerstand schiet. En in je achterhoofd dreunt de tekst uit het inspectierapport na; gemorste lestijd.

De voorbereide les gaat over investering in middelen en toename van rendement. Ik praat met leerlingen over het begrip arbeidsproductiviteit in de breedste zin van het woord. Wat doet geluk beleving in het werk met de productiviteit van de werknemers? Wat denken de leerlingen, degene die in de toekomst wellicht aan het roer staan van kleine ondernemingen, dat er nodig zou zijn om je rendement te vergroten? Ik praat met hen over het begrip rendement om hen te laten zien dat winstcijfers en gezondheid misschien niet automatisch in elkaars verlengde liggen. Wat is arbeidsethos en wat hebben zij nodig om deze te ontwikkelen? Begrippen als intrinsieke motivatie en prestatiebeloning liggen op de loer. De beamer, die het niet doet, heb ik gelaten voor wat het is. Het verouderde boek ligt verdwaald op mijn bureau.

Ik realiseer mij opeens weer, vóór mij zitten de echte middelen om mijn vak uit te oefenen.