26. jan, 2016

Zeilweek

Ongewenste intimiteiten.

In het onderwijs kennen we ook werkzaamheden die we betitelen als ‘krenten in de pap’. De snoepreisjes. De reisjes waarvoor je 20 uren in de normjaartaak ziet verschijnen en waarvoor je ruim acht keer zoveel werk verricht. Desalniettemin zijn dit de reizen die op de lange termijn in het geheugen beklijven en dat is een intrinsieke beloning waar de 20 uur in de normjaartaak helemaal niet tegen op kan. Zet een stel onderwijslieden bij elkaar en laat ze herinneringen ophalen en je komt uit bij de werkweken.

De werkweek waar het hier over gaat heette: ‘zeilweek’. Met de derde klassen van het Vmbo, vier dagen zeilen op grote zeilschepen. Vanuit Harlingen was de bestemming steevast een Waddeneiland waarbij de wind altijd zo stond dat Terschelling het eerst werd aangedaan. Dit jaar was een uitzonderlijk jaar in meerdere opzichten. De wind stond helemaal verkeerd en wij konden bij hoge uitzondering een keer een ander Dutch Caribisch eiland aandoen.

Ameland.

Als docenten waren wij ons snel bewust van deze uitzonderlijke situatie. Een lange zeildag met leerlingen die liever lui dan moe zijn, lag in het verschiet. Deze dag zou een pittige aanslag doen op ons positief stimulerend vermogen en geduld. Op een werkweek moet je als docent heel veel geduld kunnen hebben. Dat hebben wij uiteraard als geen ander. Aangetast door een ernstig gebrek aan slaap, leveren wij in werkweken een knap staaltje ‘geduld’. We lopen in eerste instantie weg van de brandhaard en roepen dan, heel positief, de hulp in van collega’s die er nog fris en fruitig uitzien. Of we vatten, als oudere collega’s, de jongeren bij de kraag en onder het mom van professionele ontwikkeling, zetten wij hen in om de brandhaard te blussen. Wij hebben dus heel veel geduld en zijn heel positief.

Deze escape route is er niet op een zeilweek. De ruimte om weg te lopen is op een zeilschip heel beperkt of je moet een tijdje achter het schip aan willen zwemmen om af te koelen.

Deze zeildag zou een memorabele zeildag worden.

Het was koud. De eerste hobbel die dan op een zeilschip genomen moet worden is dat er ongeveer twintig leerlingen bovendeks moeten blijven. Zij mogen niet naar beneden om op te warmen. Zij mogen warm worden door heel hard mee te doen met zeilen.

De tweede hobbel is dat deze leerlingen binnen een half uur moeten kunnen zeilen. De maat op het schip legt bij ieder touw en stuk hout uit wat het is en waar het voor dient. Er worden ferme zeiltermen gebruikt als ‘fok’, ‘giek’, ‘bakstag’ en ‘zwaard’. De gemiddelde vmbo-leerling heeft iets langer de tijd nodig om informatie te verwerken en te kunnen toepassen maar dat is ook alleen maar theorie uit boekjes. Op een zeilweek geldt een andere theorie.

De derde hobbel die genomen moet worden zijn de plaknagels van de dames. Gelukkig plakken die nooit echt goed dus die hobbel is snel genomen.

Daarna kan er gezeild worden.

Zo ook deze dag.

Het leek ook allemaal voortvarend te gaan.

‘Jannie, kom eens.’ Ik ben Jannie en de schipper roept mij.

‘Ik wil geen paniek veroorzaken maar de motor van dit schip doet het niet meer.’

Ik ben natuurlijk een leek maar dit leek mij geen onoverkomelijk probleem met al dat zeildoek aan boord.

‘We moeten het wantij nog over bij afnemend water en dat moet nu zeilend. Ik kan de motor er niet bij zetten.’

De boodschap betekende dat de troepen gemobiliseerd moesten worden om flink te gaan zeilen. In de praktijk houdt dat in dat je de leerlingen die nu echt niet willen apart op het dek zet en met de gemotiveerde jongens, het zijn vaak de jongens, de klus gaat klaren.

Rowan en ik bedienden de bakstagen. Bij ieder commando ‘overstag’ ren je dan van de ene kant van het schip naar de andere kant van het schip, je trekt ergens iets los en je maakt weer iets vast. Stevig vast. Onze ren-route liep eerst over het achterschip maar die route was te lang. Dus wij namen de korte route over het dek en liepen alle leerlingen die apart gezet waren gewoon omver. De situatie was immers ernstig. Wij hielden geen rekening met pruttelende, piepende en verkleumde leerlingen die rouwen om hun verloren plaknagels. Wij gingen recht door zee!

Rowan en ik misten alleen wel wat kracht. Hij had wel kracht in zijn armen. Ik niet. Ik had wel weer meer gewicht. Samen bundelden wij kracht en gewicht. Ik sprong in een touw en liet mezelf naar beneden vallen. Rowan sprong vervolgens een stukje hoger in het touw en liet zich in het gangboord bovenop mij vallen.

Onbetamelijk en ongewenst gedrag.

Samen met een leerling in het gangboord liggen. Spartelende armen en benen die wij nog net op tijd konden ontwarren voor de volgende ren naar de andere kant van het schip.

We bereikten ’s avonds Ameland.

Rowan en ik bereikten Ameland. Bont en blauw, warm en zeer voldaan. Deze werkweek staat in mijn geheugen gegrift. Voor altijd.